Ik sta hier ook hoor.

Zaterdagochtend op de Noordermarkt.

Het is miezerig en nat. Iedereen dringt en probeert de waterplassen op de klinkers te vermijden. Ik sta voor de kraam met nootjes en gedroogde vruchten. Cranberry’s wil ik kopen. Maar het lukt me niet te kiezen tussen de duurdere biologische variant, of de gewoon gezoete bessen. Terwijl ik op mijn beurt wacht, denk ik na. Weeg ik af. De plussen en de minnen. Naast me staat een vrouw. Ik zie haar niet, want ik denk. Als me opvalt dat ik er al een tijdje sta, stop ik met denken en kijk de kraam in.

‘Wie is er aan de beurt?’ vraagt de verkoper. Zonder op te kijken wijst de vrouw naar rechts. En ik sta links. Verbaasd zoek ik de ogen van de verkoper. Dan die van de cranberry’s. Die gaan niks voor me doen. Concludeer ik. Een seconde of vijf later hoor ik mijn eigen stem. ‘Ik sta hier ook al een tijdje’. Ik glimlach er zelfs bij.

‘Dan had je je mond open moeten trekken’, antwoordt de vrouw. Even voel ik verwarring. De logica van haar opmerking ontgaat me volledig. ‘Dat doe ik nu toch?’ vraag ik. ‘Dan had je dat eerder moeten doen’. ‘Maar daar had ik geen tijd voor’ antwoord ik beduusd. ‘U wees al naar rechts voordat ik iets zeggen kon’. De mevrouw draait zich nu naar me toe, begint genoegzaam te lachen. ‘Je hebt zeker een cursus gevolgd ofzo?’ zegt ze cynisch. Ze lacht. Triomfantelijk. En weer voel ik me uit het lood geslagen. Het lijkt me niet de bedoeling dat ik hier antwoord op geef.

De verkoper is ondertussen klaar met de ander. ‘Stoppen met ruzie maken’ zegt hij. ‘Anders help ik niemand’. Ik voel een ingang. ‘Lijkt me ook’ zeg ik. ‘Mag ik gewone cranberry’s?’. De man pakt een zakje, vult het met de zoete vruchten en weegt het af. De vrouw naast me kakelt door. Ze zegt dat ik chagrijnig ben. En dat het weekend leuk hoort te zijn. Het lukt me nog net om geen ‘teringwijf‘ te fluisteren als ik betaald heb en weg loop. Maar ik wil het wel.

Acht uur later. Diezelfde avond, in de Balie. De documentaire over illegaliteit in Nederland is net afgelopen. Younis en Baise (leiders van bewoners in de Vluchtkerk) zijn op een hoge stoel aan een staande tafel met andere panelleden gaan zitten. Ik wandel naar Achmed die boven op de tribune in slaap is gevallen. Ik maak hem wakker. ‘The discussion has started. Do you want to join?’ Verward kijkt hij me aan. Hij knikt van ja, maar opeens twijfel ik. Heb ik wel de goede keuze gemaakt door hem wakker te maken? Wat is waardevoller. Even slapen op een gestoffeerde stoel in een warme zaal, of maar weer een keer opnieuw vertellen dat je gewoon graag een plek wilt om te wonen.

Twijfel heeft geen zin. Ik heb gekozen hem wakker te maken. En hij heeft gekozen om op de hoge stoel bij de anderen te gaan zitten. Ik kijk voortdurend naar hem. Het is naïef om net te doen of het goed gaat. Want het gaat natuurlijk niet goed. Als het buiten vriest, vriest het in de Vluchtkerk. Als er niemand eten brengt, is er ’s avonds honger. Als je niet slapen kunt omdat je maalt over je toekomst, ben je overdag weer gebroken. En nee. Deze mensen zijn niet zielig. Deze mensen zijn krachtiger dan de meesten van ons. Ze zijn opgestaan voor zichzelf, en hebben zichtbaar gemaakt wat ons allemaal kan overkomen. Dan ben je niet zielig. Integendeel. Maar moe ben je wel. En nog steeds afhankelijk.

Achmed zijn benen trillen een beetje. Op de tafel staat een kan water met muntblaadjes er in. Langzaam mengt hij zich in het gezelschap en wordt wakker. Het gesprek blijft binnen de lijntjes. Iedereen voelt zich beperkt door de politiek. En niemand heeft de macht daar iets aan te veranderen. En we lijken dat stilletjes aan zoet te accepteren. Ook in de warme zaal. Tot de debatleider aan Achmed vraagt wat hij aan zijn familie vertelt als hij ze spreekt. Achmed kijkt verbaasd op. Is dit echt een vraag? ‘I have no contact with my family’ zegt hij. ‘How can I? I live practically on the streets. I have no home. Nothing’. En dan wordt het langzaam duidelijk.

Dat de Vluchtkerk alleen een tijdelijk onderkomen biedt. Als een soort wachtruimte op een leeg perron. Waar treinen aan voorbij rijden, maar of ze zullen stoppen, weet je nooit. Ondertussen verkleum je.

Ik denk aan de ochtend. Toen ik me verslagen voelde in het nootjes en gedroogde vruchten stalletje. Níet omdat ik even vergeten werd. Dat was prima. Dan wacht ik. Mijn cranberry’s krijg ik toch wel. Maar omdat elk woord dat ik zei met een onmogelijke redenering, zo van tafel werd geveegd. Woorden die niet over mij gingen, maar over de mevrouw die ze uitsprak. Woorden die zochten. Om te rechtvaardigen wat niet ongedaan kon worden gemaakt. Wat ook niet hoefde. Een simpel sorry was genoeg geweest. En een lachend ‘Dan mag jij zo’. Zodat ik twee minuten later gewoon cranberry’s had kunnen kopen. Om daarna verder te lopen, en blij de regenplassen op de klinkers van de markt te ontwijken.

En wat doen we als land? Zeggen we ook sorry en herstellen we onszelf? Sorry, dat we je niet hoorden toen je ons vertelde ‘Ik sta hier ook’. Sorry dat we er niet waren, omdat onze regels ons beperken. Sorry dat we niet flexibel durven zijn. Sorry dat jouw leven op het spel staat, omdat wij ons omdraaien. Omdat we naar rechts wijzen, zonder op te kijken. Sorry voor wie we zijn. Sorry. En nu mag jij. Zeggen wat je wilt. ‘Een plek om te wonen, alstublieft’. 

.

.

2 responses to Ik sta hier ook hoor.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: