De andere trein.

Het vliegveld van Rome ligt er dampend bij in de warme namiddag zon. Ik kom net aan op Fiumicino en zoek een bus naar de stad. In mijn tas een paar bergschoenen. Twee wandelstokken, landkaarten, een matje en zeven kilo saaie kleren.

Het plan is om de komende dagen door het landschap van Umbrië te wandelen. Van klooster naar klooster. Over de weg die raakt aan het leven van Franciscus. Leek me gezellig. ‘Wat in Spanje kan, kan in Italië ook’, dacht ik. En bovendien vind ik Franciscus leuker dan Jacobus, dus ook daar kon het niet aan liggen. Het enige obstakel ligt in het feit dat Italië geen Spanje is. En dat de Italianen nog niet het commerciële gewin van cultureel-historische wandelroutes hebben ontdekt. En er dus weinig gezelligheid onderweg te vinden is. De route schijnt bovendien slecht aangegeven te zijn, en er zijn minder kloosters en hostels onderweg – dus de kilometers inschatten is veel belangrijker. Maar hé, een beetje uitdaging maakt het leven juist tot een avontuur.

De bus van het vliegveld rijdt over de snelweg, door de buitenwijken langzaam Rome binnen. Na elke hoek komen we dichter bij het stadshart van de oudheid, en worden de straten smaller. Bij Termini [centraal station] stoppen we en mag ik de wereld weer in. Het hostel ligt een paar blokken van hier, en een kwartier later leg ik mijn tas op een stapelbed, stap onder de douche om daarna Rome door te wandelen.

Mijn benen voelen moe. Net als de dagen ervoor. Maar ik weet dat kilometers achter elkaar wandelen in tegenstelling tot vermoeidheid, ook nieuwe energie oplevert. Het zal vast meevallen allemaal.  ‘Als ik eenmaal onderweg ben..’ Maar Rome raakt me. Ik kan het niet anders zeggen. Ik verdwaald in de straten, kom thuis op de pleinen en ik waan me in twintig eeuwen tegelijk. Ik blijf nog een dagje. En nog één. En ach, doe eens gek. Nog één.

Op dag drie is mijn hoofd ondertussen in een grandioos dilemma beland. Verschillende backpackers in het hostel hebben me verteld over de Amalfi kust. ‘Zo mooi als het daar is, is het nergens’ zeggen ze. Ik lach, en hou nog even vol dat ik toch echt naar Franciscus moet. Want dat heb ik afgesproken met de inhoud van mijn rugzak. Wijzend op mijn wandelschoenen, stokken, en het matje dat ondertussen ergens onder het stapelbed ligt te verstoffen.

Maar gaan doe ik niet. Ik stel het uit. Uur na uur. Diezelfde middag wandel ik de trappen van de St. Pieter basiliek  op. Dromend volg ik de toeristen naar binnen. Er staan geen bankjes in de ruimte, dus ergens op een vergeten bidbankje – dat later een monumentaal pronkstuk blijkt te zijn – ga ik zitten en kijk om me heen. Ik wil niet met toeristen een uitgestippeld pad aflopen, om dan met de bocht mee naar links weer naar buiten te worden geleid. Ik wil zijn. En dan zelf kiezen hoe lang ik blijf.

Achterin begint de zaterdagmis.  Tientallen meters buiten het toeristische gebied. Er staat beveiliging bij. Ze houden in de gaten wie er in en uit loopt. Romeinen en nonnen schuiven aan. Het is er stil. En er staan bankjes. Ik loop er naar toe, knik naar de beveiliging en ga zitten. De mis is in het Latijn, maar gelukkig zijn de structuren overal ter wereld hetzelfde, en voor nu prettig.

En dan, in het midden van de toeters en bellen – van de serieuze blikken in de basiliek. In de stilte en de serene rust, weet ik het antwoord. Hoezo, moet ik naar Franciscus omdat de inhoud van mijn tas dat zegt? Het is mooi geweest. Ik koop drie jurkjes. Verstop mijn bergschoenen en wandelstokken onder in mijn rugzak, en neem de trein naar Napoli.

.

[note: ik ben niet nú in Rome, dit verhaal speelde in de zomer van 2010]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: