Wachten op een win-win situatie. #vluchtelingenproblematiek

Het is alsof ik de Vluchtkerk terug zie. Telkens als ik de televisie aan zet. Maar dan in het groot – de Vluchtkerk is opeens opgeschaald en ligt verspreid over heel Nederland. Ik ben er door geraakt en als ik heel eerlijk ben, kan ik er zelfs moeilijk naar kijken. Al die emoties. Niet zozeer van de mensen in Woerden en Oranje. Maar van iedereen. Politici die niet weten wat de beste woorden zijn. Hulpverleners die moeten schakelen tussen werelden. Buren, vrienden, familie, mensen in de straat. Opeens hebben we allemaal een mening, en als je die nog niet hebt, dan wordt het hoog tijd. Het liefst vandaag nog. Zonder mening kan je sinds een dag of wat, de straat niet meer op.

Ik had geen mening, tot ik een paar dagen geleden in een discussie belande en mezelf hoorde toevoegen dat ik ‘links stem en met vluchtelingen heb gewerkt’. Waarom is het nodig dat ik dat zeg? Waarom durf ik me niet constructief uit te spreken tegen een aantal situaties rondom interculturele zaken? Ik vind namelijk, nu we het er toch over hebben, dat het niet zo vreemd is, dat er zoveel Nederlanders bang en boos zijn. Ik vind het zelfs heel logisch. Maar ik durf het amper hardop te zeggen. Want als ik een tegen-geluid bied, word ik – voor ik het weet – uitgemaakt voor racist. Of ben ik iemand die discrimineert. En dat raakt.

Toen, eind 2012, de Vluchtkerk startte zag je een zelfde proces. Alleen dan op kleine schaal. In een woonwijk in Amsterdam, waar ikzelf ook woon. In die woonwijk wonen 178 nationaliteiten op een grondgebied van 3km2. En we hebben hier geen burgeroorlog. We leven naast, en soms met elkaar in die wijk. Knap is dat, al staan we daar zelden bij stil. Meestal kijken we vooral naar wat er (nog) niet lukt, in plaats van naar datgene waar we best goed in zijn.

Toch was het voor veel buurtbewoners spannend dat er opeens een lege kerk gekraakt was, waar ongeveer honderd ongedocumenteerde mensen in kwamen te wonen. Het was hartje winter en in het kerkgebouw was het ijzig kil en koud. Halverwege de winter liep de kelder ook nog onder water, wat ook niet echt bevorderlijk was voor de gezondheid. Ik was vrijwilliger in het vers opgerichte psy-team en gaf ad hoc coaching en training aan vrijwilligers over gedragsinterventies met groepen.

Op een middag kwam er een mevrouw binnen lopen in de kerk. Bij de deur stonden vrijwilligers en bewoners. Ik stond op dat moment met een kop koffie bij de geïmproviseerde balie te praten met iemand. ‘Dag mevrouw’ zei één van de bewoners. ‘Dag’ zei de mevrouw. Ze keek om zich heen in de grote ruimte van het hoge kerkgebouw. In het midden stond een tafeltennistafel. Aan de zijkant een televisie waarop sport wedstrijden te zien waren. Langs de randen waren kamers gebouwd. Elke taalgroep had haar eigen kamer. En op het altaar was de keuken, of wat daar dan voor door ging. ‘Wilt u koffie?’ vroeg iemand aan de mevrouw. Ze knikte.

‘Ik kwam eens kijken,’ zei ze toen. ‘Want ik woon hier om de hoek en ik was zo benieuwd hoe het gaat. Want, dat weet ik eigenlijk niet…’ We waren allemaal stil. Wat de anderen dachten weet ik niet, maar in gedachten omhelsde ik de mevrouw. ‘Er lopen steeds allemaal mensen naar binnen en buiten. En soms wordt er ook geschreeuwd. Of gehuild. Of komt er weer een nieuwe media ploeg. We – de buren – praten er over met elkaar, maar eigenlijk weet ik niet precies hoe het zit. En toen bedacht ik vanmiddag dat ik wel eens langs kon gaan. En hier ben ik…’. Ze lachte en wij ook. Daarna kreeg ze koffie en een rondleiding van één van de bewoners. Er zijn veel bijzondere momenten geweest die winter, maar deze paar minuten hebben altijd een onuitwisbare indruk op me achter gelaten.

‘Als je het niet weet, dan ga je het uitzoeken.’

‘Als je het niet kent, dan ga je het ontmoeten.’

‘Als je het niet ziet, dan ga je er opnieuw naar kijken.’

En nu zitten we weer in zo’n situatie. Maar dan op landelijke schaal. Vanmorgen mailde ik kennissen uit die tijd in de Vluchtkerk. ‘Kunnen we niet iets doen?’ vroeg ik me af. Anderen bevestigden mijn onrustige gevoel. ‘Waar beginnen we?’ Wat moet er uitgelegd en wat niet. Rinke en Thijs maken een fantastisch boek, waarvan je elke dag een foto in de Metro kon zien staan. Dat laat al een andere kant van het verhaal zien. Maar wat doen we dan ondertussen? In de straten van Nederland.

Drie scenario’s die allemaal op niets uitlopen:

  • De mensen die nu Nederland binnen komen, zijn géén slechte mensen. Per definitie niet. Hoe we dat duidelijk moeten maken, weet ik niet. Want, zeggen dat ze ‘net als wij zijn’, klopt niet. Ze zijn niet nèt als wij en dat is waar we een enorme denkfout maken. Deze mensen komen uit een ander land, met een andere taal, cultuur, klimaat, eetgewoonten en zelf muziekstijlen. Ze zijn níet net als wij. Maar op het moment dat we onszelf opleggen dat dat wel zo is, laten we onze eigen authenticiteit los en verliezen zo een gedeelte van wie we zelf zijn. Waardoor er een win-verlies situatie ontstaat in plaats van een win-win situatie van verschillende werelden. Hier komt de onnoemelijke (en terechte!) boosheid van sommige Nederlanders vandaan.
  • Wat we wèl met elkaar gemeen hebben, is dat we samen op een planeet wonen. Dat we gelijkwaardig zijn. ‘In Lak’ech’ zoals de Mayas zeggen. ‘Ik ben een andere jij’. We ervaren allen liefde, verdriet, blijheid, boosheid, angst en elke kleurnuance daartussen. We hebben familie waar we van houden, vrienden en mensen waar we mee lachen. Dát maakt ons hetzelfde. Hierin ligt de herkenning. Echter, daarop focussen op het moment dat je uit twee heel verschillende belevingswerelden komt is erg moeilijk. Teveel emotie vertroebelt zo’n ontmoeting. En zodoende treedt er opnieuw veel onbegrip op. Een verlies-verlies situatie dit keer. Waarbij er niemand als winnaar uit komt.
  • Een ander verschil is dat de vluchtelingen uit een levensbedreigende situatie komen, die wij ons niet voor kunnen stellen. Dat maakt ze wellicht getraumatiseerd, maar niet ‘zielig’. Want, ook daar gaan we de fout mee in. Door te denken dat ze zielig zijn, of door op te roepen dat we medelijden met ze moeten hebben. Ik heb zeer veel vluchtelingen ontmoet de afgelopen tien jaar en niet één heeft me verzocht om hem of haar ‘zielig’ te vinden. In tegendeel. Het zelfvertrouwen van iemand die net uit een oorlogsgebied komt, wordt alleen maar kleiner als je gaat ze gaat behandelen alsof ze kinderen zijn. Een verlies-win situatie dit keer, waarbij stereo typische beelden worden bevestigd, waar de klein-gemaakte persoon onnoemelijk (en terecht!) heel boos van wordt.

Het enige dat overblijft is de win-win situatie, en die bereiken is zo-veel moeilijker dan we denken. Daar moeten we allemaal – alle werelden samen, offers voor brengen, tijd en energie aan geven. Dat kan niemand vanaf zijn warme bank voor de televisie voor elkaar krijgen. En ja, dat is stom. Want, inderdaad, zo wordt de oorlog een Syrie een wereldoorlog. Als hij het al niet is.

We kunnen onze ogen sluiten, onze oren dichtdoen en net doen alsof we niet thuis zijn. Maar we kunnen ook de straat doorlopen, op de deur kloppen en, net als de buurvrouw van de Vluchtkerk in 2012, gewoon een kijkje nemen. En dan wachten. Wachten op de ontmoeting.

Familie in vluchtelingenkamp in Libanon. Gefotografeerd door Thijs Heslenfeld voor hun boek 'Anything Out Of Nothing'. www.thijsheslenfeld.com/fotoboek . September 2015.

Familie in onofficieel vluchtelingenkamp in Libanon. Gefotografeerd door Thijs Heslenfeld voor het nieuwe boek ‘Anything Out of Nothing’. http://www.thijsheslenfeld.com/fotoboek .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: