Een meningtekst: De mensen en het schoolsysteem.

Het filmpje is me nu drie keer te vaak toegestuurd. Door drie lieve mensen, dat wel. En drie keer heb ik dankjewel gezegd. ‘Ik zal er naar kijken’, zei ik erbij. Vanmorgen was dat moment eindelijk daar. Ik stond op het punt om te ontdekken wat 386.268 anderen voor mij al ontdekt hadden.

PLAY. 

Ik zie een rechtszaal. Een ouderwetse. Uit het jaar 19e eeuw. En een mooie man in pak met een charismatische stem. Hij spreekt de zaal toe. Vermanend, is mijn interpretatie. Als ik het mijn VMBO leerlingen Nederlands zou vragen, dan valt zijn spreektekst onder de ‘meningtekst‘. Vaak te vinden in columns en theater. Niet te verwarren met de ‘informerende tekst‘, die als hoofddoel heeft je te informeren over feiten en geobjectiveerde kennis.

De man spreekt met een cadans. Er zit ritme in zijn woorden. ‘Slam poetry‘ zouden we dit noemen. In het Nederlands moeilijk te vertalen omdat het veld rondom deze stijl zich graag uitdrukt in het Engels. ‘Kennen jullie meer van dit soort teksten?’ zou ik de leerlingen vragen. En vermoedelijk zouden ze komen met ‘rap’ en ‘hiphop’, dat ik met een mooi bruggetje zou herleiden naar het belang van vrijheid van meningsuiting. Uiteraard met het oog op humaan en sociaal gedrag.

In de banken in de rechtszaal zitten mensen. Jong en iets ouder. Ze dragen kleding met niet te opvallende kleuren, zoals grijs en blauw. Ze lachen niet, maar kijken ook niet boos. Ze luisteren naar de man met de charismatische stem in het pak. Ze lijken onder de indruk. ‘Maar’, zou ik tegen mijn leerlingen zeggen. ‘Dat is een interpretatie. Weet iemand wat dat is, een interpretatie?’ We zouden een gesprek voeren, de leerlingen en ik, over interpretaties en aannames. Over objectief en subjectief. En het belang om daarin eerlijk te zijn. Toch?

Achter de tafel in de rechtszaal zitten oude mannen met grijs haar. Hun ogen doorleefd, rimpels in hun voorhoofd. Uit de woorden van de man met de charismatische stem en zijn blikken naar de zaal, kunnen we opmaken dat deze oude mannen terecht staan voor de rechter. Ze worden beschuldigd.

‘Van wat?’ zou ik mijn leerlingen vragen. ‘Misschien omdat ze iets verkeerd gedaan hebben?’ zou iemand zeggen. Leerlingen antwoorden namelijk graag in de vragende vorm als ze niet helemaal zeker zijn van hun antwoord. Ik zou het antwoord om die reden complimenteren, sowieso. Ieder antwoord is beter dan geen antwoord, want fouten maken moet. Daar zijn we een school voor. Op een school is het maken van fouten het grootste cadeau dat je aan elkaar geven kan, want het is één van de mooiste manieren om nieuwe dingen te leren. De leerling zou glimlachen. ‘En bovendien,’ zou ik er aan toevoegen, ‘we hebben net geconcludeerd dat dit een ‘meningtekst’ is, dus elk antwoord is goed. Je mag er alles van vinden.’ Nu zouden er meer leerlingen hun idee van het antwoord geven en de groep zou rumoerig worden. Ze zouden in kleine gesprekjes met hun buren terecht komen uit enthousiasme en nieuwsgierigheid. Als docent kan je daar meerdere dingen mee doen. Ik zou er dit keer voor kiezen om het plenair te houden (dat doet de man met de charismatische stem immers ook) en de groep vragen hun aandacht te focussen. De leerlingen zouden luisteren (wat overigens níet vanzelfsprekend is, dus best even extra benoemd mag worden).

De man in de rechtszaal laat foto’s zien. Van een auto anno nu en een auto van honderd vijftig jaar geleden. Van een telefoon anno van nu en honderd vijftig jaar geleden. Hij eindigt met een klaslokaal. Van anno nu en honderd vijftig jaar geleden.

Op dat moment zouden mijn leerlingen opspringen. Ik hoop verontwaardigd, maar omdat dit nog steeds een ‘meningtekst‘ is, heb ik niet zoveel te willen. Zoals ik dat overigens nooit heb, al zal de man met de charismatische stem dat vermoedelijk niet geloven, omdat er ondertussen wel steeds helderder wordt hoe hij de binnenkant van leslokalen ervaart. Maar leerlingen zijn mensen in hun jonge jaren, waar ik als docent simpelweg mee samen mag werken. Hoe dat gaat ligt niet aan mij, maar aan ons.

  • Als ik naar hen luister en dat maar lang genoeg consequent doorvoer. Dan luisteren ze naar mij.
  • Als ze mij vragen mogen stellen die ik serieus en oprecht ontvang, dan mag ik hen vragen stellen.
  • Als ik mijn excuses aanbied, als ik een gedragsfout maak (wat 80% van de tijd inschattingsfouten en communicatieobstakels zijn.) Dan bieden zij hun excuses aan, op het moment dat ze dat ook zelf nodig vinden.
  • Als ik er voor hen ben buiten de lestijd om, dan zijn zij er voor mij buiten de lestijd.

Maar dit alles terzijde. 

De man toont een foto van een klas waarin de leerlingen van achteren te zien zijn. Ze zitten in rijtjes, steken hun vinger op en dragen kleurrijke kleding. ‘We kunnen niet zien wat ze er van vinden…’ zou één van mijn leerlingen zeggen. ‘Want we zien hun gezichten niet.’ Een accurate en opvallende observatie. We weten niks. We zien alleen de rug van een kleurrijk geklede klas. ‘Wat zou de man hiermee willen aantonen?’ zou ik vragen. Mijn leerlingen zouden moeten nadenken. Totdat er iemand zijn vinger op zou steken en zeggen dat dit leerlingen zijn die goed luisteren naar de docent en hun vinger opsteken als ze iets willen zeggen. ‘Toch, mevrouw?’

‘Waarom zou hij dat willen aantonen?’ zou ik vragen. ‘Omdat dat het meest op de foto van vroeger lijkt?’ probeert een meisje. Bingo! ‘Ik denk het ook’ zou ik zeggen. Maar onmiddellijk daarna zou ik meer antwoorden van de leerlingen verzamelen. Ik zou de opbrengst van antwoorden verveelvoudigen en ze laten brainstormen over de mogelijke antwoorden. Desnoods, als ik veel tijd over had, zou ik iedere leerling een mindmap laten maken en die uitwerken in verschillende kleuren. Maar meestal heb ik zoveel tijd niet. Zo ontdekken ze een palet aan keuzes en blijf ik, als docent, ver weg van dat wat de man met de charismatische stem in het filmpje wèl doet. Namelijk manipulerend een ‘meningtekst‘ met charismatische stem brengen.

Dan slaat het filmpje opeens om. BAM!

Er komen jonge en oude mensen in de getuigbankjes zitten en de jury – oh ja, vergeten. Nog even het Amerikaans rechtsmodel uitleggen tussendoor – krijgt mimiek op het gezicht. Dan begint de man te bepleiten – we moeten namelijk ook aan onze woordenschat werken tussendoor – dat leraren te weinig verdienen. Ik voel een lichte glimlach van mijn ego opkomen, die ik ternauwernood onderdrukken kan. Hij vergelijkt de docent met chirurgen en advocaten. ‘Hoeveel verdient u?’ zou één van mijn leerlingen vragen. En ik zou eerlijk antwoorden, omdat ik er sterk van overtuigd ben dat we (lees: de samenleving) anders eeuwenlang met generaties opgescheept zitten die niet weten hoe ze met materie (lees: geld) om moeten gaan. Ik heb dit niet met ons (lees: de samenleving) overlegd, maar ik ben zo vrij om hierin al jaren mijn eigen pad te trekken. ‘Zoveel verdient mijn vader ook’ zou een andere leerling antwoorden. En voor ik het wist zou de groep leerlingen een nieuwe aftakking nemen naar het thema geld. Wederom zou ik hierin meerdere interventie keuzes hebben als docent en wederom zou ik dit keer kiezen voor de plenaire focus. ‘Kom op, jongens!’ zou ik zeggen. ‘We parkeren het geld even. Kijk, ik teken een ster op het bord, zodat ik het niet vergeet. We spreken hier later verder over.’ De groep zou verstillen en terug gaan naar het filmpje met de man en de charismatische stem.

BAM! Weer een inhoudelijke wisseling. Opeens komt Finland voorbij. Dan volgen plots twee losse termen – Montessori en Khan Academy. ‘Wat doet de man nu?’ zou ik vragen. Mijn leerlingen zouden even mompelen en antwoorden dat de man nu laat zien waar het wèl goed gaat.

‘Nu raak ik in de war’ zou een meisje zeggen. ‘Wat wil hij nou? Moeten we allemaal Montessori gaan doen, of zoals in Finland? Weet je dat Finland heel koud is in de winter, mevrouw? Ik ben er een keer geweest. En het wordt niet licht dan. Echt hè!’ En weer zouden we afgeleid raken van de kern. Door Finland. Of door Maria. Of door Khan, waarvan ik de website zou moeten laten zien, die in het Engels is, wat ze dan weer storend zouden vinden. Ikzelf zou me ergeren aan het beeld dat de man neerzet van docenten. Alsof we volgzame, schaapachtige nitwitten zijn, die zonder ruggengraat ‘het systeem‘ (waarvan ik ondertussen denk dat hij de overheid bedoelt) zouden volgen en er zelf geen enkele autonome mening op na houden. Alsof er geen ruimte zit in alles dat de overheid aandraagt. Er zit bakken aan ruimte in! (het werkelijke probleem zit bij de schoolbesturen, maar dat is voor een andere les).

‘Die man weet niet wat hij wil.’ zou een leerling uiteindelijk concluderen. ‘Hij heeft een mening, maar hij verandert hem steeds. Eerst wil hij geen systeem. En nu wil opeens een ánder systeem. Maar nog steeds een systeem.’  De rest zou knikken. ‘Misschien is die meneer gewoon heel boos?’ zou een meisje vragen. ‘Maar hij kijkt niet boos.’ Hm. ‘Misschien heeft die meneer het zelf heel moeilijk gehad toen hij op school zat en wil hij zich nu afreageren?’ Leg eens uit.Misschien heeft hij nog nooit een leuke school gezien, bedoel ik.’ … ‘Of een leuke les.’

Ze zouden allemaal knikken en ik zou opgelucht ademhalen. Om egocentrische redenen die ik als docent wens voor mezelf. De wens dat ik, op momenten dat ik docent ben, dat mag zijn in een omgeving met jonge mensen die in me geloven en samen met mij de les tot een feest van ontwikkeling en ontdekking maken. Want, de énige mensen in dit hele spectrum waarvan ik het belangrijk vind dat ze me waarderen en open met me communiceren over dat wat hen bezig houdt, dat zijn de jonge mensen in mijn lokaal die onderwijs van mij ontvangen. 

Na jaren in het speciaal (voortgezet) onderwijs in Amsterdam te hebben gewerkt, besteed ik nu nog ongeveer acht uur in de week als interim docent. Zodoende zag ik in korte tijd tientallen scholen van de binnenkant (wat mede doel was van het plan). Op de ene school werd ik verwelkomd, op de andere vergruisd nog voor ik begonnen was. Op de ene school was er een goede teamleider, op de andere was er niks. Op de ene school was er veel bruikbaar materiaal, op de andere school was het een puinhoop. Maar op ál die scholen stond of viel mijn plezier en mijn kundigheid met de waardering tussen de jonge mensen en ik. Het systeem wordt gemaakt door mensen. Door niemand anders dan al die voetstappen die dagelijks over de deurmat van een school lopen. Dát is het systeem. Wij zijn het systeem.  

Het filmpje eindigt even abrupt als het begon. Er wint niemand. Althans, dat is niet wat we zien. We moeten raden naar de uitslag. ‘Hoe noemen we zo’n einde?’ zou ik mijn leerlingen vragen. En iemand zou antwoorden dat dat ‘suggestief’ heet.

‘Wie zijn eigenlijk die oude mannen achter die tafel?’ zou één van mijn leerlingen dan vragen. ‘Wie denken jullie?’ zou ik zeggen. ‘Ik weet het niet,’ zou een meisje antwoorden. ‘Misschien de opa van die man in dat pak.’ De groep zou lachen. En het is geen informerende tekst, maar een meningtekst.

‘Moet je dat opschrijven in je schrift, mevrouw?’. ‘Nee,’ zou ik zeggen. ‘Je hoeft alleen je eigen mening te onthouden. Want dat is wat we doen bij meningteksten.’. 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: