Waarom ik nu anders over het Lerarenregister denk.

Het is gemakkelijk om tegen het Lerarenregister te zijn. Heel makkelijk zelfs. Toen ik een paar weken geleden via social media naar reacties vroeg, waren de postduiven niet aan te slepen. Binnen een paar uur had ik koffie uitnodigingen van alle actiegroepen-tegen die je maar bedenken kan. En toen had ik het eigenlijk al kunnen weten… Want actiegroepen-tegen krijg je alleen als je een vet goed idee de wereld in geslingerd hebt. Dit constateerde ik al tijdens powwow-sessies over Easycratisch Werken, waarna ik het tot een ludieke wetmatigheid vervormde. Elk subliem project verdient een actiegroep tegen. Heb je die niet? Dan ben je niet subliem genoeg. (lees: tevens een slimme manier om met weerstand om te gaan ;)).

Vandaag ontdekte ik dat het lerarenregister net zo’n initiatief is. Een onontkoombare stap in het Nederlandse onderwijsstelsel, dat ons een brugverbinding verschaft naar een nieuwe fase. Tevens op mondiaal niveau is het een unicum waar we trots op zouden mogen zijn. Dat de framing (nog) niet je-van-het is en de communicatie te wensen overlaat, staat los van de inhoud van het concept.

Om die inhoud beter te leren kennen en even voorbij te gaan aan alle instinctieve opstanden, had ik een paar weken geleden contact gezocht met de Onderwijscoöperatie, de oorspronkelijke initiatiefnemers van het register. Ik ben van mening dat we, in de snel veranderende maatschappij waarin we leven, te weinig waarde hechten aan bronverhalen. Aan kruispunten (‘nodes‘ voor de digitale vrienden) in het veld die bepaald worden door een historische context. Een netwerkveld zie ik namelijk niet alleen in relaties en connecties, maar tevens in een veld vol significante momenten die ons brengen waar we vandaag zijn. Dat we focussen op vandaag en morgen, wil niet zeggen dat gisteren vergeten is, of onbelangrijk is voor de voortgang van vandaag. Het is een bron dat ons over het waarom verteld. We hoeven er niet perse iets mee, maar het minste dat we kunnen doen is luisteren.

Dus toog ik naar de Onderwijscoöperatie in Utrecht waar ik een gesprek mocht hebben met Frank Jansma. ‘Hij weet alles‘, was me verteld. En nu, na vandaag, weet ik dat zelfs dat een understatement was. Hij weet meer dan alles, want naast kennis zit de meerwaarde altijd in het feit of iemand die kennis doorleefd heeft en er een gefundeerde mening aan toe kan voegen (een soort 1+1=3 principe). Ik had geluk en belande in een 2,5 uur durend werkcollege, waarin ik nog meer leerde dan ik in de dubbele tijd in mijn eentje had kunnen onderzoeken.

De weergave van het gesprek in dit blog is uiteraard mijn persoonlijke interpretatie en niet de letterlijke inhoud. Dan had ik het gesprek op moeten nemen en dat heb ik bewust niet gedaan. Hieronder lees je welke inzichten ik op gedaan heb, verweven met feitelijke kennis vanuit de Nederlandse onderwijsgeschiedenis. Frank zijn mening heb ik bewust achterwege gehouden in dit blog. Welke keuze we morgen moeten maken, met betrekking tot het lerarenregister, laat ik aan jou – aan de lezer. Ik kan alleen vertellen waarom ik er nu, na vandaag, anders over denk dan gisteren en voorstander geworden ben van een verplicht register.

Na vandaag weet ik ook dat de Onderwijscoöperatie niet helemaal de initiatiefnemer van het lerarenregister is (wel een beetje). Het idee om leraren te erkennen in een register stamt namelijk al van veel eerder…

Het idee om een registratiesysteem voor onderwijsbevoegden te creëren stamt al uit 1997, en wellicht zelfs van daarvoor. In deze periode werd ook het beroepsregister voor de gezondheidszorg ontwikkeld, de zgn. BIG registratie. Het idee om dit ook in het onderwijs in te voeren kwam voort uit een rapport dat, onder André van Es (toen nog PSP) in 1993 geschreven werd, na aanleiding van een parlementaire enquete die ze initieerde over de toekomst van het leraarschap. ‘Het Gedroomde Koninkrijk’ heet het rapport. Het beschreef met name de professionaliteit van zowel de school als de docent. Beiden moesten professioneler worden en leraren moesten de klas uit om de samenwerking aan te gaan met de wereld en collegae om hen heen. Daarnaast adviseerde het rapport om het bevoegdhedenstelsel te vervangen voor functie-eisen: De eerste aanzet naar een lerarenregister.

Dit rapport leidde vervolgens naar een Forum voor Vitaal Leraarschap in 1994 dat op zijn beurt ook weer een rapport schreef met als titel Tekenen voor Kwaliteit (door: Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraren. Rijksuni. Groningen). Hier kwam ter sprake dat vooral de beroepsgroep weer eigenaarschap over de sector moest krijgen. Sinds de Mammoetwet eind jaren zestig was de functie van leraar namelijk onbedoeld verschoven naar een uitvoerend beroep. Dit staat haaks op het idee dat de leraar eigenaar van zijn eigen handelen moet zijn.

De Mammoetwet vertelde dat elk kind recht heeft op een algemene èn een beroepsopleiding. Deze uitbreiding van het onderwijs en de enorme ontwikkeling die het Nederlandse onderwijs sinds de wederopbouw meemaakte, had grote impact. Veel meer dan we ons nu nog voor kunnen stellen. Een klein voorbeeld ter illustratie: In 1965 kreeg slechts 40% van de basisschoolkinderen de kans om naar het voortgezet onderwijs te gaan, in 1975 was dat 70% (met dank aan de leerplichtwet 1969 en de partiële wet waarbij kinderen tien jaar leerplichtig waren en daarna twee dagen per week) en in 1985 alle kinderen (met dank aan de wet op de basisvorming). Tussen 1965 en 1975 werden er daarnaast nog eens 270 bibliotheken bij gebouwd. In nauwelijks twintig jaar tijd was het Nederlandse onderwijs de pan uit gegroeid en zowel in omvang als kostenpost gigantisch gestegen. Uiteraard profiteren we daar nu als maatschappij op sociaal-economisch gebied nog steeds van, maar het rendement van die voorinvestering was vijftig jaar geleden nog niet in te schatten.

Praktisch hield dit in dat er in heel korte tijd ongelofelijk veel leraren bij moesten komen. Een drastisch gevolg hiervan was een massificatie-proces dat uit de hand liep. Iets dat we kennen uit de beginperiode van de industriële revolutie (hoe absurd die vergelijking ook lijkt). De opkomst van de fabrieken gaf hoop en mogelijkheden, maar daar tegenover stond ook het loslaten van eigenheid. Het werkt eenheidsworst in de hand en het structureel draaien van productie. Een top-down situatie waarbij procedures en protocollen werden opgelegd vanuit de overheid naar de scholen toe, die dit naar hun beste eer en geweten uitvoerden. Productiviteit zit nou eenmaal in het draaien van routine. Het klinkt wat oneerbiedig, maar dit is wel waar het bij een aantal processen op neer kwam.

Dit kan je de geschiedenis niet helemaal kwalijk nemen. Men roeit met de riemen die er zijn en probeert kosten en baten af te wegen ten opzichte van verlangens en toekomstige resultaten. Wisten zij veel welke gevolgen er een halve eeuw later zouden optreden? Het laat ons in ieder geval zien waarom zaken soms lopen zoals ze gaan. En misschien is deze loop van omstandigheden wel één van de ingrediënten geweest voor een cultuur waarbij leraren voortdurend het gevoel hebben dat ze dingen moeten, dat er dingen van buiten opgelegd worden en dat ze als professional het zeggenschap en eigenaarschap over hun vakgebied niet ervaren.

In 1997 werd dit in ieder geval geconstateerd in het rapport ‘Tekenen voor Kwaliteit‘, waar ik eerder aan refereerde: De opmaat naar meer eigenaarschap voor leraren. Ik kan alleen maar juichen bij zo’n ontdekking. Dat er bijna 25 jaar tussen zit en de problematiek nog steeds actueel is, vind ik schokkender. Misschien heb ik te weinig geduld.

Frank legt me uit dat deze ‘stroperige’ periode te maken kan hebben met competing values (Quinn). Enerzijds wordt er regie gevraagd van de leraar en anderzijds moet er tevens verantwoording worden afgelegd voor de gekozen handeling. Dit zijn strijdende waarden, die niet bij iedereen zo gemakkelijk vallen. Persoonlijk ervaar ik het strijdende element niet zo, maar als ik het aan mensen om me heen vraag die les geven, krijg ik inderdaad geluiden terug die gaan over ‘Hoezo, vertrouwen ze me niet?‘ en ‘Dat is een nep vertrouwen als ik ook verantwoording af moet leggen’. Als je inderdaad niet betrokken wordt bij datgene waar je verantwoording over af moet leggen, dán kan ik het me levendig voorstellen. Wellicht dat daar dan de schoen wringt? Leraren worden niet betrokken bij de kwalificaties en gewenste resultaten van het onderwijs? We moeten wellicht nóg regionaler gaan werken dan de lumpsum al gecreëerd heeft?

De Stuurgroep Beroepskwaliteit Leraren, had zich in 2000 ondertussen getransformeerd naar de SBL (Stichting Beroepskwaliteit Leraren) en werkte door aan een registratiesystematiek waarin leraren hun bevoegd- en bekwaamheid zouden kunnen bijhouden. In 2006 kwam het SBL met bekwaamheidseisen voor leraren en werd vanuit OCW de wet BIO opgericht. De regie over deze wet ligt bij de scholen (al is dit meer in woord, dan in de praktijk). Zij zijn verplicht om bekwaamheidsdossiers van leraren bij te houden en te monitoren. Als de school in haar geheel niet aan de kwaliteitseisen van de inspectie voldoet (dus als ‘zwakke school’ genoemd wordt), pas dan kijkt de inspectie ook naar de bekwaamheidsdossiers. Opvallend is wel dat OCW helder (als losse zin) op haar website heeft beschreven dat de inspectie zich niet bezig houdt met de kwaliteit van de individuele leraar. Dit wekt onrust moet ik eerlijk bekennen en geen applaus en vertrouwen.

In 2012 vond dan eindelijk de grote Hans Kazan truc plaats: Het SBL (dat haar oorsprong vindt in 1997) verandert haar naam in… de Onderwijscoöperatie! 

Ze sloegen de handen ineen met de vakbonden (o.a. AOB, CNV onderwijs, Fvov, VVVO – samen verantwoordelijk voor meer dan 172.000 mensen werkzaam in het onderwijs) en bewegen sindsdien als coöperatie. Over grote zaken wordt de kwestie in principe bij alle leden van de coöperatie neergelegd (hoe dit in de praktijk werkt ga ik nog onderzoeken). Ben je een club met meer dan 4.000 leden en heb je in de basis dezelfde opvattingen als de coöperatie? Dan mag je je aanmelden en aansluiten bij de coöperatie. Het unieke hieraan is dat de nuances bij alle vakbonden verschillend zijn, maar ze het eens zijn over een aantal basisprincipes. En één daarvan is dus dat het eigenaarschap van de leraar – de regie zowel als de verantwoordelijkheid – weer terug moet naar waar het hoort. Ik kan niet anders dan het daarmee eens zijn.

Maar die verdomde conflicterende waarden van Quinn dan? 

Ik vind ze verwant aan deze tijd. En het tevens noodzakelijk om ze recht in de ogen aan te kijken. Om niet weg te kijken, of om te lopen. Maar om je te beseffen dat deze tijd niet meer de tijd van dertig jaar geleden is, of van tien jaar terug. Alles rolt en ontsnappen is een illusie. Naïviteit zelfs. Laat ons dan leren om regie te voeren, om te ontwikkelen en de ruimte te pakken, terwijl we op datzelfde moment uitleggen wat we doen, verantwoording – geef het een naam, ik noem het verklaren en delen. Delen zodat anderen inspiratie op kunnen doen en op hun eigen manier vorm kunnen vinden voor hun persoonlijke weg. Dus ja, laat ons maar een verplichte BIO-wet en lerarenregistratie creëren! De enige reden die ik nu nog bedenken kan om daar nee tegen te zeggen, is als ik mezelf (in de taak van leraar – interim weliswaar) tekort zou doen. Als ik niet eerlijk zou kunnen zijn, of me zou schamen voor mijn staat van dienst. Wat anders zou me beletten om mijn professionele ontwikkeling niet te willen delen? 

Sinds 2012 ben ik zelfstandig ondernemer, een situatie waarin me altijd gevraagd wordt waar ik ‘expert’, ‘professional‘ of ‘deskundig‘ in ben. Ik moest er enorm aan wennen dat mensen in het ondernemersveld zichzelf voortdurend profileren in het één of ander. Dat al mijn werkervaring van de vijftien jaar daarvoor opeens niet meer meetelde en ik nu alles kon verkopen wat ik wilde. Soms benoemde ik de doelgroepen waarmee ik gewerkt had (noem een randgroepering en ik heb er mee gewerkt), maar al deze dingen tellen niet mee in de wereld van ondernemers. Gisteren is geweest en je bent zo goed als je laatste opdracht was. Dus wederom, een systeem waarin ik mijn professionaliteit rondom leren en groepsdynamische kennis en vaardigheden mag registreren? Kom maar op! Graag! 

Ik zat als kind op een Daltonschool waar we weektaken op kregen. Als ik het maar af had, dat was het doel. Hoe ik dat regelde? Dat bepaalde ikzelf. Helaas was bij mij op de basisschool het sociale klimaat daar nog niet op afgestemd, maar het maakte wel dat ik op mijn eigen tempo werken kon. Ik had de regie en ik legde verantwoording af. Wellicht is het feit dat ik dit dus als een vanzelfsprekendheid zie, niet een gedeelde opvatting, of een algemeen beeld dat je hebt als je leraar wordt. Maar waarom eigenlijk niet?

Want, tot slot zijn er nog de leerlingen. Zíj hebben er recht op dat leraren zich blijven ontwikkelen. Al gaan de maatschappelijke ontwikkelingen te snel, al wordt er teveel gevraagd, al is het even puzzelen op de website. Al die zaken gaan over andere dingen dan waar het werkelijk om draait: de leerling. Zij verdienen iemand die weet wat er in de wereld van vandaag gebeurt. Ze verdienen een sociale tovenaar en een digitaal wonder tegelijk. Een baken van kennis en een kompas om de weg te wijzen, zodat ze het zelf kunnen ontdekken. Ze verdienen richting en vrijheid. Beide op hetzelfde moment. Of ze nou kleuter of student zijn. En dat moeten de mensen zijn die het gaan regelen de komende jaren: Leraren.

Ja, maar. Ja, maar. Al die obstakels die genoemd worden dan? Dat zijn allemaal punten die buiten het eigenaarschap van de leraar omgaan. En veel van die punten mogen we terug leggen op het bordje van de overheid. Geen tijd om je ontwikkeling bij te houden? Daar maakt de school dan maar tijd voor. Zo simpel moet het worden. De professionele ontwikkeling van de leraar staat altijd in dienst van de onderwijskwaliteit. Je hebt het al zo druk met alle extra taken? Dan gaat er maar een taak vanaf. Ook niet onmogelijk. En de website is te ingewikkeld? Eens! Maar zelfs dat kan gezelliger gefixt worden. En als daar allemaal geen geld voor is? Dan moet OCW maar beter leren budgetteren.

Mijn eigen criteria liggen dan enkel nog binnen de kwestie van het bevoegdheidsprincipe. Ik geloof niet zo in diploma’s, al vind ik ze reuze handig, maar dat is om de maatschappij te plezieren en niet omdat ik er zelf zo blij van word. Ik vind dat ze afleiden en beperken en het enige waar ze goed voor zijn is het vieren van een feestje als je er eentje gekregen hebt. Maar daar kan ik dan ook wel andere momenten voor bedenken. Kortom, diploma’s beperken het ontwikkelingsplezier. Maar delen waar ik bekwaam in ben en delen wat je geleerd hebt om dat vervolgens in een computer systeempje te zetten, zie ik als twee losse zaken. Bekwaamheid en bevoegdheid staan los van elkaar. Ik ken een bloemist die jaren zijn eigen bloemenwinkel had en nu les geeft aan jongens in de bovenbouw van het VMBO. Super bekwaam! En super onbevoegd! Bovendien zie ik het registratiesysteem nu ondertussen meer voor de leerlingen dan voor Sander Dekker en dat is een hele opluchting, kan ik bekennen.

Terug naar het bevoegdheidsprincipe – Als we het registratie systeem verplicht maken, zou ik natuurlijk wel graag de lerarenopleidingen, de PABO’s en de sociale opleidingen zien veranderen en flexibeler diploma’s uitdelen. En daarna alle opgedane kennis in het register zetten. Het toegangskaartje om voor de klas te mógen staan, mag dan ook aangepast en meebewogen. Maar, misschien heb ik deze gedachte wel omdat ik tijdens mijn bezoekje aan de Onderwijscoöperatie nóg iets ontdekte…

Ik heb ook makkelijk praten’, zeg ik, als ik net kennismaak met Frank. ‘Ik heb de PABO ooit gedaan en vindt het VMBO de fijnste doelgroep. En dat mag gelukkig.’ Het is even stil. ‘Nee hoor’, zegt hij dan. ‘Jij mag officieel niet op een VMBO lesgeven met PABO. Jij bent onderbevoegd’. Onmiddellijk ben ik verward, want ik dacht hierover op de hoogte te zijn. ‘Maar er zijn duizenden mensen zoals jij. Echt duizenden.‘ vervolgt hij. ‘Dus we hebben nu een opleidingsvoorstel aan de minister aangeboden waarbij PABO mensen een traject van ongeveer zes maanden kunnen volgen, om alsnog bevoegd te raken voor het VMBO.’

Achteraf ben ik blij dat dit gebeurde, het maakt het thema tenminste lekker scherp en noodzakelijk. Maar op het moment zelf schoot ik meteen in de ‘Ja, maar’stand. ‘Ja, maar telt mijn post-hbo tot IBer dan niet, of de premaster sociologie aan de UvA? En mijn 1,5 jaar aan de HU voor Creatieve Therapie? En niet te vergeten mijn 10 jaar ervaring in het VSO?’ Maar Frank is onverbiddelijk. ‘Dat zijn geen opleidingen waar je docentbevoegdheid erbij krijgt.‘ Sh*t. ‘Maar’, zegt hij dan. ‘Ik denk wel dat jij veel vrijstellingen zou krijgen hoor.’ Komt alles toch nog goed. ;)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: