Zullen we eens toe gaan geven dat het systeem gewoon niet meer klopt, lief onderwijs?

Er is in geen sector zoveel gedoe, als in de onderwijssector op dit moment. Of ik zit er te dicht bovenop en heb last van het roze-olifanten-principe. U weet wel, die van ‘denk niet aan een roze olifant’, waarna je overal  enkel nog roze olifanten ziet. Ik kan geen krant open slaan of ik kom een artikel over onderwijs tegen, kan geen sociale media aan klikken of ik zie een onderwijsobstakel voorbij vliegen.

Van het lerarentekort naar de salarisongelijkheid, en de onzichtbare uitgaven binnen de lumpsum tot de historische curriculumherziening die er aan zit te komen – het hele arsenaal passeert me wekelijks meer dan een paar keer. En toen Sander Dekker afgelopen week opeens besloot om publiekelijk (lees: in de Kamer) alles in de doofpot te willen deponeren, brak bij mij de spreekwoordelijke klomp. Het was maar goed dat ik al verwikkeld was in een debat over seksisme en GeenStijl, maar anders had ik me zeker bezig gehouden met de psychopathologie rondom de persoonlijkheid van Dekker. Absurde manier om je demissionair staatssecretarisschap vorm te geven. Hoewel het ook best knap is, in één dag pak ‘em beet 130.000 primair onderwijs leraren tegen je in het harnas te jagen. Hoe dan ook; de hele onderwijsorganisatie ademt gedoe.

Afschaffen dan maar? Nee! Los van het feit dat het niet kan, zo abrupt, zou het ons allerlei andere problemen opleveren die we dan ook weer zouden moeten tackelen. Blijven we bezig. Iets met water en de zee.

Maar wat we nu doen gaat faliekant fout.

We ontkennen dat we veranderen moeten.

Niemand houdt van verandering. Ja, wel een klein beetje. Nieuwe kleren zijn leuk, nieuwe mensen ontmoeten ook, zo nu en dan je te buiten gaan aan bijzonder eten geeft ook een gelukkig gevoel en op reis naar verre landen is een feest. Tot op zekere hoogte zijn we Helden in het voeren van veranderingen. Behalve, als we er niet om gevraagd hebben. Als de verandering niet in ‘ons straatje’ past.

Dan gaan we struisvogelen, terug vechten, mentaal allerlei argumenten bedenken waarom en waardoor het hetzelfde kan blijven, we worden stil, we leiden onszelf af, we gaan experimenten, uitproberen en klooien en soms wachten we gewoon tot het onplezierige euvel van de verandering gewoon voorbij gaat.

Maar die dingen gaan niet voorbij. 

Niet tot je ze recht in de ogen aankijkt. 

Nou is dit meestal niet zo’n levensbedreigend probleem en komt het vaak allemaal wel weer goed (in het slechtste geval krijg je uiteindelijk een burn-out ofzo, waardoor je wel veranderen móet). Maar dat is enkel als het over individuen gaat.

Als we collectief, als onderwijssector, niet eerlijk zijn over de dingen-die-niet-voorbij-gaan en ons onderdompelen in allerlei overlevingsmechanismen, omdat we de exponentiële organisatieveranderingen in de maatschappij niet meer vertalen kunnen naar het maatschappelijke systeem waarin we onze jonge mensen helpen de leukste volwassene te worden, dan richten we schade aan. Werkelijke schade! Ik neem het ons niet kwalijk, maar ik vind wel dat we er eerlijk over moeten zijn.

Ik heb ooit geleerd – en roep dat nu dus al twintig jaar te pas en te onpas – dat de school een letterlijke afspiegeling van de samenleving is. Dat wat er zich in de wereld afspeelt wordt direct gespiegeld in de school. Het functioneren van het team, projecteert zich direct op de schoolcultuur en de leerlingen.

Dit maakt de school kwetsbaar en ongelofelijk krachtig op hetzelfde moment. 

Waarbij de samenleving – door gebrek aan kennis – geen juiste inschatting van de waarde van de school kan maken, spreken de mensen binnen de school zich niet op de juiste wijze uit en blijven in overlevingsmechanismen hangen. Het is dus logisch dat de buitenwereld dan van alles gaat roepen. Dit doen ze wellicht onhandig (Oké, heel onhandig), maar hoe de onderwijssector reageert is ook niet echt om over naar huis te schrijven.

Ik zal een voorbeeld geven. Van de ruim twintig scholen (po, sbo, vso, pro, vmbo) waar ik als leraar werkte was er geen enkele school die maandelijks de schooldeuren open zette voor buren, mensen en organisaties uit de buurt. Er was geen enkele school die, buiten de cirkel van ouders om, naar hulp vroeg. Er waren maar een paar scholen waar de lokaaldeuren altijd open stonden, maar lang niet bij alle. Er was geen enkele school die transparant de geldstromen in het team bespreekbaar maakte. Er was geen enkele school die me eerst een dag liet meelopen, voor ik aangenomen werd. Er was geen enkele school die mijn contact met leerlingen bekeek, voor ik aangenomen werd. Er was geen enkele school die me kennis liet maken met het hele team, voor ik aangenomen werd.

Als het onderwijs zich wil profileren als leerinstituut en als plek waar je ontwikkelen, spelen en nieuwe dingen leren mag – Waarom zetten we dan die deur naar buiten niet veel vaker open? Waar zijn ‘we’ als leraar bang voor? Dat een ander het misschien beter kan dan wij en dan niet eens een onderwijsbevoegdheid op zak heeft? Ik ken tientallen mensen waarvan ik weet dat het uitstekende leraren zouden zijn, al hebben ze geen onderwijsbevoegdheid. Al hebben ze geen stages gelopen, ellenlange lesvoorbereidingen geschreven en is de ontwikkelingspsychologie van Jung en Piaget hun bespaard gebleven. Ik weet zéker dat het fantastische leraren zouden zijn. Morgen nog.

Maar we zijn verstrikt geraakt in polariserende theorieën over dit soort praktijken. Verschil van idee zal er altijd zijn. Dat is gezond en noemen we diversiteit. Maar polarisatie is op de lange termijn schadelijk en wat mij betreft gewelddadig voor het collectief. We onderzoeken al een tijdje niet meer. We roepen en schreeuwen tegen elkaar wat waarheid is. Maar de werkelijkheid is: Dat we de waarheid niet kennen!

Níemand – Nee, zelfs types als Elon Musk en de Dalai Lama niet – kent de waarheid.

De wereld verandert aan de hand van technologische en digitale mogelijkheden zo extreem snel op dit moment, dat we niet kunnen voorzien wat de effecten op een-iets-langere termijn zijn. We wéten niet wat het effect van Ipads op peuters is, om de simpele reden dat die peuters nog lang niet volwassen zijn. Er gaan tenminste twee generaties overheen voor we weten wat de lange termijn invloeden zijn. In de jaren zestig wisten ze ook nog niet wat de E-nummers in de zakjes Honig zouden doen. Dus heel het land aan de macaroni met een zakje Honig. En nu weten we dat dat wellicht niet al te slim was. Geeft niet! Veranderen we het gewoon met wat we nu weten.

Waarom denken we dan nu wel alles te weten? We weten net zo weinig als toen.

Het lastige is dat ons menselijke systeem zich trager ontwikkelt dan de techniek. 

Maar. Stilstaan en doen alsof de wereld zich slechts in een ‘fase’ bevindt, is geen optie.

Dit geldt voor alle elementen binnen de onderwijssector. Ja, ook voor de besturen en Raad van Toezichten. Ik hoor schoolbesturen de laatste paar jaar vaak spreken over ‘zelfsturende teams‘. Over de ‘autonome‘ leraar. Over ‘zelfredzaamheid’ en ‘eigenaarschap’ van de leraar. En ja! Ik ben voorstander van veel meer autonomie voor de leraar (en bij autonomie komt vanzelf ook verantwoordelijkheid om de hoek kijken). Maar wat er nu gebeurt werkt averechts. De leraar moet steeds meer en meer zelfstandig doen, maar krijgt minder waardering en geen hulp. Da’s een beetje gek. Dat doen ze nergens zo!

Vervolgens hoor ik Sander Dekker keihard roepen dat het allemaal onzin is (voor het geval je dit leest, Sander: Ik heb de site van OCW zó grondig onderzocht dat ik in 2008 al serieuze berichten van Ter Horst over lerarentekorten tegen kwam. En zij was toch echt niet helemaal op haar achterhoofd gevallen)

Op het moment dat je je belangrijkste spelers van het veld (lees: de leraar) in een positie zet waarin alleen nog maar vanuit (overlevings)mechanismen geopereerd kan worden en we mazzel moeten hebben wil een leraar daar bovenuit springen (Ze zijn er! Ik ken ze) dan is het handiger je af te vragen wat die toptalenten doen, wat de rest niet doet. Hoe delen zij hun tijd in, welke taken laten ze gewoon vallen, hoeveel uur werken en hoe realistisch is het, dit te verwachten van de anderen.

Als je een team (ieder team) zelfredzaam wilt maken, dan betekent het ten eerste dat je jezelf open moet stellen voor alles dat zich vanaf dat moment aandient. Je bent onderdeel van het team. Het betekent dat je ze inzage geeft in het totále proces. In alle stukken, alle cijfers, alle bestuurlijke processen. Dan betekent het dat je 100% vertrouwen geeft. Zelfredzaamheid creëren betekent dat je eerst heel veel geeft, voordat je iets vraagt. In essentie is het zelfs zo dat je weinig zou hoeven vragen, omdat de omkering van de verantwoordelijkheid maakt dat er een stroom van pro-actief gedrag in het team ontstaat en taken vanzelf opgepakt worden. Dát houdt ware zelfredzaamheid in. Je kan zoiets niet voor de helft doen. Dan wordt het halfredzaamheid. Super frustrerend, weet ik uit ervaring.

Maar voor ik meer roep. 

Zullen we eerst eens met z’n allen toegeven dat, wat we nu hebben niet meer werkt? 

 

 

One response to Zullen we eens toe gaan geven dat het systeem gewoon niet meer klopt, lief onderwijs?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: